Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de farizeën en allen, die hun gelijken, acht soorten van weeën. Daar de Heer nu geen reden heeft om de menschen te ontzieu, tot wie hij niet meer spreken zal, daar hij ze verder langer aan hunne verblinding overlaat, belet hij hunue boosheid en hunne huichelarij anderen te benadeelen, door die openlijk ten toon te stellen. — Welk een vreemde verdorvenheid, welk een heillooze stemming! door zijn stand verplicht te zijn .Tezus te doen kennen en liefhebben, en nu juist het tegendeel van dien te doen, hetzij door uit jaloerschheid hen te lasteren, die niet kracht aan zijn werk arbeiden, hetzij door de zielen af te leiden door nuttelooze en bijgeloovige godsdienstpraktijken. Het is voor eiken christen reeds een groote zonde, aldus uit nijd het heil der zielen en de voornemens Gods over haar tegen te werken; maar voor nijdige en huichelachtige godsdienstleeraars is dit. een van de grootste oorzaken van verdoemenis. — Indien het een groot ongeluk is, zelf niet in het koninkrijk der hemelen in te gaan, is het wel het toppunt van ongeluk, anderen te beletten daar in te gaan. — Men belet er in te gaan, als men de vromen zwart maakt, die

daarbij tot gids zonden kunnen dienen ; als men de boetedoening •• ®

kwijtscheldt, die er de deur van is; als men de voorschriften des evangelies verzwakt, die er de weg toe zijn.

XIII. De gierigheid en de huichelarij gaan bij de geestelijken doorgaans samen. Als die eens hun hart verdorven hebben, dan vergaderen zij zich een te grooter schat van toorn, hoe meer schatten zij opeenhoopen. — Zullen de weduwen nooit ophouden de huichelaars te wantrouwen ? — Geeft aalmoezen aan ziekenhuizen, aan gevangenissen, aan verborgen armen, aan arme werklieden, met een groot gezin bezwaard, en bovenal aan arme bloedverwanten; dit is het middel om de strikken der schijnvromen en der eigenbelangzuchtige godsdienstleeraars te ontgaan.

XI\ De ijdelheid en de onverstandige ijver verbergen zich vaak achter het voorwendsel van de heerlijkheid Gods. — Men moet degenen, die hun eigen heerlijkheid zoeken, wel pogen te onderkennen,

Sluiten