Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarboven verheven en ons als op liet dak er van geplaatst heeft, is het tot behoud onzer zaligheid goed er niet weer in te keeren. — Het lichaam is een kleed; hij, die de gehechtheid er aan heeft afgelegd om aan zijne zaligheid te arbeiden, inoet dat kleed niet weder aandoen.

XVII. Gelukkig hij, wien de gevolgen des huwelijks en de zorgen van het huishouden niet beletten zijne ziel te redden door uit de wereld te vluchten. Men bevindt doorgaans, dat men van allerlei begeerten en plannen in verband met de wereld en de liefde voor de wereld zwanger gaat, als men de wereld verlaten moet. Wat is het dus goed, zich daarvan bijtijds te ontdoen! Len weekelijke en verwyfde ziel is zeer gehecht aan het lichaam en er boven alles op uit om het op allerlei wijs te koesteren, gelijk een voedster haar zoogkind doet, om zijne begeerten in te willigen, het in alles zijn zin te geven en het een gansch vleeschelijk en dierlijk leven te doen leiden. — Wat is zelts de naam van den dood alleen verschrikkelijk voor zulke verwijfde zielen ! De dood is er niet minder onontkomelijk om.

XVIII. Men moet de zonde en den toorn Gods ontvlieden, terwijl men het kan. Het is een noodlottige onvoorzichtigheid te wachten, totdat de groote gelegenheden zich aanbieden om aan het opdoen van de noodige deugd te gaan denken; het arbeiden voor zijne zaligheid uit te stellen tot het oogenblik, dat men er niets meer voor doen kan; een begin te maken met het ontvlieden van alles, wat ons daarin belemmert, in den wintertijd van een kwijnenden, tragen en met allerlei zwakheden bezwaarden ouderdom. Het is voornamelijk door het gebed, dat de Christen zijn reisvoorraad opdoet; dat hij zich in staat stelt om te vertrekken ; dat hij de onvruchtbaarheid en de koude zijns harten verandert in een overvloed van liefde, en zijn onvermogen tot den arbeid in werkkracht dooi' de werking der goddelijke genade.

XIX. Alles is geregeld ten nutte der uitverkorenen. De verwoes-

Sluiten