Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXXV. Het is ons uut, dat, wij verplicht worden altijd in de onzekerheid te verkeeren, altijd op onzen Meester te wachten, opdat wij altijd op onze hoede zijn tegen traagheid in de bestrijding der zonde. — liet hart is bereid, als het gesteld is gelijk het behoort; en het is slechts dan aldus gesteld, wanneer God er meester is, wanneer er niets in heerscht dan zijne liefde, en die liefde en de liefde voor <!en naaste dat hart bestuurt in het gebruik van de goederen der aarde en in het verkeer met den medemensch. — Welk eene dwaasheid waakzamer te zijn voor een weinigje tijdelijk goed, dan voor de eeuwige behoudenis zijner ziel! God verbiedt ons niet aan het eerste te denken, maar altijd in betrekking tot ons zielenheil.

XXXVI. Het is niet de arbeid, maar de getrouwheid, die God in zijne dienaars beloont. — Wij behooren allen te leven in de verwachting van Jezus' komst, gelijk een dienaar, die zijn meester verwacht; maar de godsdienstleeraars moeten dit nog meer doen dan de gewone leden der gemeente. — Ziehier een kort begrip van hun plichten:

1. Len eerste plicht is te bedenken, dat zij geroepen en aangesteld zijn niet tengevolge van eigen willekeur, maar van eene roeping en wettige opdracht van hun meester.

2. Zij hebben zich te beschouwen, niet als deu meester des huizes, maar inderdaad als dienaar.

. 3. Zij moeten volkomen getrouw ziju in de waarneming van de plichten hunner bediening en de geboden des meesters opvolgen ten koste van alles.

4. Zij moeten eene getrouwheid betoonen, die wijs, voorzichtten verstandig is. Getrouw en voorzichtig, dat is alles.

5. Zij moeten als trouwe huisbezorgers er hun voornaamste werk van maken om deu leden des gezins hun voedsel te geven, niet uit het hunne, maar door uit te deélen wat zij hebben outvangen.

6. Zij moeten dit alles doen ter rechter tijd; en het is altijd de rechte tijd om de zielen te onderwijzen en te dienen, omdat de noodzakelijkheid daartoe altijd bestaat, omdat de tijd elk

Sluiten