Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hoogmoed en van den nijd, de genadegaven des naasten te willen bezitten.

XVI. 3. Men moet de talenten, die men ontvangen heeft, winst laten doen, door het koninkrijk Gods te doen komen en te doen toenemen in zijn eigen ziel en in die van anderen. — Er is hier een groot verschil tusschen de gelijkenis en de werkelijkeid. De dienaar in de gelijkenis toch ontvangt van zijn meester geenszins den handelsgeest en den geest der nijverheid, om zijn geld met winst te gebruiken; de christen echter, de bedienaar des Woords moet alles van den Heer ontvangen: het talent en den goeden wil, de genadegaven en het gebruik van die gaven. Het is een duchtige reden om zich te verootmoedigen, om veel te bidden en met vreeze aan zijne zaligheid te arbeiden, maar zonder daarom de christelijke hoop op te geven.

X\ II. 4. Men moet niet stil blijven zitten zonder iets te doen, onder voorwendsel dat men slechts middelmatige talenten heeft'. Niemand kan ontkennen dat hij minstens twee talenten heeft, een talent van de rede, om God en zijn eigen plichten te kennen, en een talent van den wil, om God te kunnen liefhebben en zich aan hem te kunnen hechten. — Het is veel gewonnen, als men gedurig in de kennis des heils en in de liefde voor God en den Heiland toeneemt. Maar het is een eeuwig en onbegrijpelijk groot gewin, als men langs dien weg er toe komen mag om God met onbedekten aangezichte te zien, en hem door een volmaakte liefde volkomenlijk te mogen genieten.

XVIII. 5. Men moet om zijn heil uit te werken, zelfs de kleinste talenten niet ongebruikt laten. Er heeft in het gedrag der Adamskinderen altijd öf overdrijving, öf tekortkoming plaats, tenzij de geest van den nieuwen Adam hen bezielt; want of men wil zijn talenten laten uitblinken, als ze groot zijn, of men wil ze begraven, als ze klein en weinig schitterend zijn. Men moet het tegendeel doen en gebruiken de groote met nederigheid, en de kleine met vertrouwen.

Sluiten