Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonde niet, muur verdubbelt haar, als men huichelarij en dubbelhartigheid bij ontrouw en luiheid voegt. — Men zorgt slecht voor zijne zaligheid, als men zich aan den arbeid onttrekt, bloot onder het voorwendsel, dat men het oordeel Gods vreest, zonder daarvoor nog een wettige reden te hebben ; en ook, wanneer men de eere Gods en het heil des naasten niet bevordert, als men er het talent voor bezit. Het is op zichzelf een diefstal en een daad van onrecht; maar men voegt er leugen en onbeschaamdheid bij, als men beweert aan zijn plicht te hebben voldaan, dewijl men goed noch kwaad gedaan heeft. Men doet kwaad, als men het goede niet doet, waartoe men verplicht is.

XXVI. Hoe meer men zich voor God verontschuldigen wil, des

o '

te meer veroordeelt men zichzelven, omdat men zoodoende hoogmoed en onrechtvaardigheid voegt bij de zonde, in plaats van die door boetedoening uit te delgen en de barmhartigheid Gods tot ons te trekken door ootmoed. — Er is een kinderlijke, een slaafsche, een loonzuchtige, een werkelooze en een luie vrees. — De ontrouwe dienstknecht verbergt die vrees onder een valsche voorzichtigheid, en rechtvaardigt haar door een onjuiste redeneering. — De ware voorzichtigheid van den goeden en gehoorzamen dienstknecht bestaat daarin, om eenvoudig zonder veel redeneering den wil zijns heeren te doen. Het is alleen de booswicht en de luiaard, die veel redeneert en niets doet. Dit is de straf van den onnutten dienstknecht :

1. Overtuigd van boosheid en luiheid uit het woord van zi]n eigen mond, ondergaat hij beschaming daarover voor het aangezicht van allen.

XXVII. 2. Zijn tweede straf is beroofd te worden van alles, wat hij ontvangen had.

3. Zijn derde straf, die een ware foltering voor hem is, is te zien dat anderen, die zoo rijk zijn in goede werken, ook nog met zijne goederen verrijkt worden.

4. Zijn vierde straf is zich ouiten staat te zien, om zijne lui-

Sluiten