Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXX. Zal het schepsel der aarde vermetel genoeg zijn om te gelooven, dat het zichzelveii beter kent dan hij, die het geformeerd heeft? Onze eigen, ervaring is niet voldoende om ons van onze broosheid te overtuigen. Het is zelfs niet genoeg dat Jezus ons verzekert, dat onze val nabij,, ja, dat hij onvermijdelijk is, zonder zijne genade. Er is een goddelijk licht noodig, dat het hart doordringt, dat het verlicht, dat het verandert en dat het aan zichzelf vertoont.

XXXI. De verdedigers van de mensclielijke vrijheid tegen de genade des Heilands, spreken, evenals Petrus, Jezus tegen. Hij heelt gezegd: Zonder mij kunt gij niets doen; en wij beloven ons, dat wij alles uit onszelven kunnen, zoo ons geloof niet op zijn hoede is. Petrus, die de andere discipelen in zijne dwaling medesleept, geeft ons te zien, dat niets in den geest der inenschen, die slechts een alledaagsch geloof hebben, meer ingang en krediet vindt, dan dit aanmatigend gevoel van eigen kracht. Men moet het niet vreemd vinden, dat dit zoo gewoon is, maar men moet er over zuchten en voor de verrassingen van dit zelfbedrog vreezen.

XXXII. Het is een recht christelijke voorzorg, zich voor te bereiden op het lijden en den dood door afzondering en gebed. — De discipelen hadden grootelijks noodig om te bidden; maar men moet de zwakken niet altijd tot hun plicht willen drijven. Men moet zich somtijds vergenoegen met hun hunnen plicht voor oogen te stellen, hen hunne zwakheid te laten voelen, voor hen bidden en hen voor een wijl overgeven aan de genade Gods. Leeren wij uit deze keuze, die Jezus uit zijne discipelen doet, dat allen niet even bekwaam zijn om dezelfde openbaringen te ontvangen. Men moet niet alleen weten te schiften tusschen de sterken en de zwakken, maar ook tusschen de minder zwakken en de allerzwaksten.

XXXIII. Jezus maakt hen, die hij het meest liefheeft, tot deelgenooten van de droefheid en verslagenheid zijns harten. Als

Sluiten