Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewjjzigd, mits men bij de laatste periode het saldo dier producten behoorlijk in rekening brenge § 192).

§ 196. Moet men over elk saldo van kapitaal rente berekenen tegen verschillende percenten in debet en credit, dan is alleen de staffelmethode juist i §187). Zij bijv. A. op den lstcn der maand aan zijn bankier schuldig ƒ 1000. Betaalt hij na verloop van 20 dagen ƒ 400 en aan het einde der maand de rest, met de bepaling, dat hem voor zijn schulden 5 %, voor zijn vorderingen 3°/0 interest berekend zal worden, dan is het duidelijk, dat A. 20 dagen interest a 5 % over f 1000 en 10 dagen interest a 5% over ƒ 600 schuldig wordt. Naar de progressieve methode zou hij 30 dagen interest a 5 % over ƒ 1000 schuldig zijn en 10 dagen interest a 3°/0 over ƒ400 te vorderen hebben. Nu is:

30 d. int. a 5% van ƒ 1000 — 10 d. int. a 3 %> van ƒ400 = 20 d. int. k 5 °/o van ƒ 1000-f 10 d. int. a5°/0van ƒ1000 — 10 d. int. a 3% van ƒ400 = 20d. int. a 5 °/0 van ƒ 1000 -(- 10 d. int. a 5 °/0 van ƒ 600 + 10 d. int. è 5 % van ƒ400 — 10 d. int. a 3 % van ƒ400 = 20 d. int. a 5 °,'0 van ƒ 1000 -(- 10 d. int. a 5 % van ƒ600 10 d. int. k 2 % van ƒ400. Naar de progressieve methode zou A. dus in het gegeven geval 10 dagen interest a 2% van ƒ 400 meer schuldig worden dan naar de staffelmethode.

Ook als volgt blijkt, dat de progressieve methode in dit geval tot onjuiste uitkomsten leidt. Onderstelt men, dat de bankier onmiddellp gedekt wordt voor alle voorschotten aan zijn correspondent, dan kan er van geen interest sprake zijn, en toch zou hij, naar de progressieve methode, over elk voorschot, van af den vervaldag tot den dag van afsluiting, zooveel percent interest te vorderen hebben, als het verschil tusschen de gegeven percenten bedraagt.

§ 197. In de practijk schijnt men spoedig ingezien te hebben, dat de bovenstaande toepassing der progressieve methode bij dubbelen rentestand verwerpelijk is. Daarom gaat de bankier, die dagelijksche berekening der renteproducten verlangt, gewoonlijk als volgt te werk: Hij bepaalt het s a 1 d o der renteproducten naar de progressieve methode, zonder op den rentestand te letten. Vindt hij een debet saldo, dan leidt hij er, met behulp van het hoogste percent, de rente uit af, waarvoor de correspondent gedebiteerd wordt. Vindt hij daarentegen een credit-saldo, dan berekent hij hieruit de rente naar het laagste percent en plaatst het zoo gevonden bedrag in het credit van zijn correspondent.

Deze handelwijze leidt evenmin tot dezelfde uitkomst, als de staffelmethode. Want is A. bijv. op den lsten der maand ƒ 1000 schuldig aan zijn bankier en zendt hij na verloop van 20 dagen ƒ2500, dan is hij aan het einde der maand, naar de progressieve methode, 30 d. rente van ƒ1000 schuldig en heeft 10 d. rente van ƒ2500 te goed. Nu is:

30 d. rente van ƒ1000 — 10 d. rente van ƒ2500 = 20 d. rente van ƒ1000 + 10 d. rente van ƒ1000 — 10 d. rente van ƒ2500 = 20 d. rente van ƒ1000 — 10 d. rente van ƒ1500. Zij verder de hoogere rentestand 5 %, de lagere 3 %, dan wordt A. gedebiteerd voor: 120 d. rente van ƒ 1000 — 10 d. rente van ƒ 1500) a 5<>/o = 20 d rente van ƒ1000 a 5 % — 10 d. rente van ƒ1500 k 5%.

Sluiten