Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

prijs voor goud in Nederland (§ 244). Van de vroegste tijden af bleven gewicht en gehalte van deze munt zoo goed als standvastig. In een ordonnantie van Karei V van het jaar 1548 komt reeds de bepaling voor, dat 70 dukaten 1 mark trooisch moesten wegen. In 1606 werd hierop door de Staten van Holland een remedie van 1 engels toegestaan. Het tegenwoordige gewicht is het minimum van het bovengenoemde, zooals blpt uit de volgende berekening: 1 mark trooisch = 8 ows a 20 engels a 32 azen = 246,084 G af remedie 1 engels — tJïï = 1,538 „ Minimum-gewicht = 244,546 G 244 546 G : 70 = 3,494 G (tegenwoordig gewicht van 1 dukaat i. Het 'gehalte behoorde 23 karaat en 8 grein te zijn (§ 244). In 1603 stonden de Staten van Holland hierop 1 grein remedie toe, zoodat het

23 ^

minimum-gehalte 23 karaat 7 grein = 23^ karaat — — 0,983 tot

in den tegenwoordigen tijd stand gehouden heeft.

Daar de muntmeesters het minimum-gewicht en gehalte trachtten te bereiken, stelden de bovengenoemde Staten in 1663 den prijs van 1 mark goud van 23 karaat en 8 grein of 23$ karaat op 70^ dukaten, destijds tegen den koers van ƒ 5. De prijs van 1 mark fijn werd dus gevonden uit de evenredigheid:

kar. kar. duk. duk.

23$ : 24 = 70^j : x

x = 71 dukaten è, ƒ5 = ƒ355.

Deze standprijs van ƒ355 bleef in ons land tot de invoering van het metrieke stelsel bestaan. Bij de telkens veranderende verhouding tusschen de waarde van goud en zilver, werd al spoedig op goud een agio bedongen, dat in percenten van dien standprjjs genoteerd werd.

Toen nu in 1821 de invoering der nieuwe maten en gewichten plaats had, bleef men vasthouden aan de noteering van het agio en werd dientengevolge de vaste waarde gewijzigd naar de verhouding, waarin het mark trooisch en de kilogram tot elkaar staan. Men vond derhalve voor den nieuwen standprijs: G = 1 mark tr. G = 1 KG

246,084 : 1000 = ƒ355 : ƒ*_

ƒ x = ƒ1442,60. J)

§ 267. Het papiergeld in ons land bestaat alleen uit de bankbiljetten

iste Ducatus, d. i.: U, Christus! zij dit hertogdom, dat gij regeert, gewijd. Naar het laatste woord — ducatus — hertogdom - van dit omschrift werd het stuk dukaat genoemd. - Er zjjn echter, die beweren, dat een munt van den Bizantijnschen Keizer Konstantjjn X (1059-1067) diens familienaam Ducas vermeldde en daarom den naam dukaat droeg.

ij zie verder mijn verhandeling over: „De dukaat en de standprijs voor goud in Nederland" in „De Economist" van 1875.

Sluiten