Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(koerswaarde -|- interest = 24f °/0) der fondsen en niet, zooals hier aangenomen is, gel\jk aan de koerswaarde (24 °/0).

376*) Een kapitalist te Berlijn neemt op ultimo Juni Oostenrijksche Credit Actiën a 220 in prolongatie tegen 0,4 premie op de rescontre van ultimo Juli; hoeveel percent 'sjaars geniet hij van zijn kapitaal?

Berlijn noteert deze actiën in percenten, met bjjberekening van 4 °/0 beursrente (§ 368). Een som van BM 220, in dit fonds belegd, geeft dus BM 4 rente per jaar. Daar nu de kapitalist de stukken neemt voor 220 °/0 (-[- rente tot ultimo Juni) en ze na 1 maand teruglevert voor 220,4 °/0 (-f- rente tot ultimo Juli), wint hij per maand BM 0,4 of per jaar BM 4,8 op den koers van Bil 220 en maakt bovendien BM 4 rente, dus in 't geheel BM 8,8 per jaar. Derhalve geniet h\j:

X BM 8,8 = BM 4 of 4 °/0 's jaars.

Opmerking. De beursrente begint voor Credit-Actiën te loopen op 1 Januari; daarom is hier de tweede opmerking bij voorbeeld 376 van toepassing.

377) Een kapitalist te Amsterdam kan op ultimo Maart een partij aandeelen Ned. Handelmaatschappij a 160 °/0 in prolongatie nemen op de rescontre van ultimo April; als hij 5 0 0 'sjaars van zijn kapitaal wil trekken, hoe groot is dan de prolongatie-premie, die hij van den haussier verlangt ?

Volgens § 363 wordt bij tijdaffaires in aandeelen der Ned. Handel maatschappij 5 °/0 beursrente (van de nominale waarde) berekend. Elke ƒ160, in het fonds belegd, geeft dus per jaar een beursrente van/"5, maar moet — a 5 °/0 — in 't geheel opbrengen ƒ 8, zoodat het verschil, ten bedrage van ƒ3 per jaar of ƒ ^ per maand, door de prolongatiepremie moet worden opgebracht. Deze bedraagt derhalve op een koerswaarde van ƒ160 of een nominale waarde van ƒ100, dat is ^Zo-

De haussier, die de aandeelen op ultimo Maart in prolongatie geeft a 160 °/0, moet ze dus op ultimo April terug nemen tegen 160| °/0.

Opmerking. De tweede opmerking bij voorbeeld 376 is ook hier van toepassing: de beursrente wordt berekend van 1 Juli af.

377*) Een kapitalist te Berlijn kan op ultimo Januari 1909 een partij Zuid-Oostenrijksche spoorwegaandeelen (Lombarden) a 16 °/0 in prolongatie nemen op de rescontre van ultimo Februari; als hij niet meer dan 6±° /0 'sjaars van zijn kapitaal kan bedingen, hoe groot is dan de huur, die hij den haussier moet toestaan ?

Volgens § 368 noteert Berlijn deze aandeelen in percenten en berekent 4 °/'0 beursrente. Elke BM 16, in het fonds belegd, brengt dus per jaar BM 4 op, maar kan den kapitalist — a 6{ °/o — niet meer dan BM 1 opbrengen, zoodat het verschil, ten bedrage van BM 3 per jaar of BM {

Sluiten