Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de twisten tusschen de geneesheeren en de chirurgijns en kon zich niet met dergelijke beuzelachtige dingen bemoeien. Eene geschikte gelegenheid voor praktische opleiding was anders zeer gemakkelijk te vinden in het Hótel-Dieu te Parijs, waar eene afdeeling voor kraamvrouwen bestond. In 1378 was er reeds in het Hótel-Dieu eene ventrière des accouchiez, Juliette genaamd, en in 1385 eene vrouw Jeanne Dupuis, die voor zich zelf den titel: maitresse des accouchées aannam. Later werd deze titel weer veranderd in maitresse-sage-femme, die benoemd werd na een examen afgelegd te hebben voor zes geneesheeren. In 1657 werd de bepaling gemaakt, dat deze maïtresse-sage-femme elke zes weken eene anatomische les zou geven over de baarmoeder voor de leerlingen van het Hötel-Dieu.

In 1664 werden de chirurgijns met het onderwijs voor de vroedvrouwen belast, terwijl de president van de medische faculteit als voorzitter van de examen-commissie aangewezen werd. In 1699 verscheen er een nieuw reglement, waarbij den chirurgijns opgedragen werd de adspirant-vroedvrouwen te examineeren en tevens werd de bepaling gemaakt, dat de vroedvrouwen in het gild van de chirurgijns werden opgenomen even als de ledenzetters, breukmeesters, tandmeesters, oogmeesters en steensnijders *).

*) Bij dit reglement werd de leertijd bepaald en aldus vastgesteld : de adspirant-vroedvrouwen moesten gedurende drie maanden in het Hótel-Dieu of gedurende drie jaren bij eene vroedvrouw in de leer gaan. Na geslaagd examen moesten de vroedvrouwen een eed afleggen, die begint met de woorden: Je N., épouse (ou veuve) de N., promets et jure waaruit blijkt dat men om vroedvrouw te worden gehuwd moest zijn of geweest zijn.

Sluiten