Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het schaambeen wordt opgegeven: de bescherming tegen uitwendig ruw geweld en al.s zijnde een steunpunt, zoolang het kind nog in utero is. Bij de baring vervult het geen rol, ja, werkt eerder belemmerend door de geboorte langer van duur en moeilijker te maken. In cadavere kan men deze verbinding slechts met de scherpste werktuigen scheiden. Geheel anders is het met de naar achteren en aan de zijden gelegen bekkenbeenderen, waarvan het os sacrum en het os coccygis altijd iets uitwijken, zonder welke plaatsverandering de geboorte van het kind onmogelijk is. De heupbeenderen verwijderen zich soms zeer ver van elkaar. In 1670 behandelde Feu voor de tweede maal eene vrouw, bij wie gedurende twee uren door een anderen accoucheur alle pogingen waren aangewend om de vrouw te verlossen. Hij vond bij het onderzoek, dat de heupbeenderen meer dan een vinger breed van het stuitbeen waren afgeweken en het duurde meer dan drie maanden, voordat deze verbinding weer voldoende stevig was. Xog twee dergelijke gevallen worden aangehaald en de schrijver zegt daarbij: „L'effort de Tos sacrum, qui s'étend en dehors, et qu'a toute extremité, se devise et s'éloigne des os des lies, est 1'action la plus forte que j'aie observe dans 1'accouchement pour ouvrir le passage de 1'enfant."

De verlossing bij vrouwen met congenitale heupluxatie of afwijkingen in de wervelkolom wordt beschreven als niet moeilijker te zijn dan bij vrouwen met goed gebouwde bekkens. Hoewel Peu hierover eene zeer uitvoerige verhandeling geeft, noemt hij de verandering in de bekkenmaten niet als de oorzaak voor de belemmering tijdens den partus.

Sluiten