Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achter het schaambeen blijft haken. Als derhalve de teenen en de buik naar achteren gekeerd zijn, is het goed; men brengt dan toch nog de hand in om te zien of de hals ook gedraaid is en de kin naar voren gekeerd is. Is de nek naar achteren gekeerd dan moet men met een ruk den romp omdraaien; volgt het hoofd bij het aantrekken aan den romp niet, dan gaat men de hand langs den buik inbrengen en haakt den vinger in den mond en voert het hoofd in de gewenschte richting, terwijl men aan de voeten blijft trekken in eene rechte lijn. Heeft men beide handen noodig om aan het hoofd de gewenschte richting te geven, dan laat men door een helper zonder rukken aan het lichaam van het kind trekken afwisselend naar rechts en links, naar boven en beneden of zooals de operateur zulks aanwijst.

Peu merkt op, dat zelfs bij eene schedelligging de verlossing voor het kind gevaarlijk kan worden. Het gevaar voor het kind kan optreden als de verlossing lang duurt, als het kind te zwak of gebrekkig ontwikkeld is. Komt een der wandbeenderen voor, zoodat de hals in de buurt van het ostium uteri een hoek vormt, dan wordt de verlossing zeer moeilijk. Eene omstrengeling van den hals door de navelstreng kan het kind doen stikken; eene uitzakking van de navelstreng, een of meer knoopen of de niet voldoende lengte der navelstreng kunnen het kind in hetzelfde gevaar brengen. Eene vroegtijdige loslating der placenta doet ook het kind sterven. Ook de moeder kan in gevaar komen door groote zwakte, stuipen of andere zaken. Boven zulke zaken verkiest de accoucheur dan ook eene abnormale ligging van het kind, waar men door keering en extractie de noodige hulp kan brengen.

Sluiten