Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. „Het Hdeïsme beschouwt het geloof als een verdienstelijk werk!" ')

Een en ander meende men te kunnen afleiden uit het stukje „Un doute consolant," in 1893 'n de Revue chrétienne verschenen van de hand van prof. Ménégoz. Daar wordt Thomas, de discipel van Jezus, die „wanneer men 't zoo zeggen wil," ongeloovig geweest is, tot een vertroostend voorbeeld gesteld dengenen, die Jezus' opstanding wel zouden willen, maar niet k u n n en gelooven, omdat verstandstwijfelingen hen daarin verhinderen. Immers, de Heer heeft Thomas niet eenmaal ernstig berispt, laat staan hem veroordeeld. Christus heeft alleen zalig genoemd allen, die hoewel ze niet zien, nochtans gelooven. Aan het slot van dit artikel staat het volgende te lezen: -) . . . „Voor degenen wier geloof deze volkomenheid (namelijk van 't geloof in den onzichtbaren opgewekten Heiland) niet bereiken kan en wier geest door twijfelingen bevangen is 3), mag het een groote troost heeten, verzekerd te zijn, dat deze twijfelingen hem niet uitsluiten van Gods Koninkrijk, mits hij een waarachtig discipel van Jezus Christus zij en zijn' Meester diene met de liefde en de verknochtheid van een Thomas."

Ter verdediging beriep prof. Ménégoz zich op zijne hoofdstelling: behoudenis alleen door de overgave des harten aan God, wat toch wel iets anders is dan „serieus

') Davaine in „Vie Nouvelle" 1898 No. 4. Prof. H. Bois in Rev. Mont. 1898 No. 1.

z) Public, s. 1. F. p. 83.

5) Public, s. 1. F. p. 78: Et autre est le doute de celui dont le coeur est brisé, dont la répentance est sincère.

Sluiten