Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dictoir is, cn die, om aan de tegenstelling te ontkomen, tot de opvatting van „den Onkenbare" de toevlucht neemt". Toch is voor al die hoorders, welke daar in de kerk zitten, God de levende en alomtegenwoordige Vader. Het leven van het dogma — zoo besluit S. — ligt in de vroomheid.

Om kort te gaan, elk dogma heeft in zich twee " elementen ; de kern vormt het „mystische en practische" element, het eigenlijk religieuze bestanddeel, dat zijn grond heeft in de ervaring of in de waarachtige vroomheid „der Kerk." Vervolgens bezit elk dogma een „intellectueel of theoretisch" bestanddeel, een wijsgeerige voorstelling, die het levensbeginsel omhult en tegelijk daarvan de uitdrukking is.

Is het dogma dus altijd de menschelijke vertolking van een door God gewekt godsdienstig leven , de vraag komt hier op of de band , die inhoud en vorm van 't dogma verbindt, niet willekeurig en onnoodig is, m. a. w. of de dogmen niet zijn als onkruid, gewassen op den bodem van het religieuze gemoedsleven. Prof. S. meent van neen. Dezelfde mengeling van (mystisch) levensbeginsel en (intellectueel) omhulsel is in elke verschijning van den godsdienst waar te nemen. Reeds bij het ontstaan van den godsdienst als verschijnsel zijn deze twee bestanddeelen te onderscheiden.

Hoe hebben wij ons het ontstaan van de religie ongeveer voor te stellen? „In 't gezicht van een der groote natuurtooneelen heeft de mensch,in 't bewustzijn van zijne zwakheid en zijne afhankelijkheid ten opzichte der geheim-

Sluiten