Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zonder de indrukken van de buitenwereld op ons ik zouden wij geen kennis aangaande de wereld hebben. Zonder de subjectieve reactie van het ik tegen deze inwerking der buitenwereld, zouden wij geen enkele zedelijke of religieuze idee, geen enkele voorstelling van het goede of het schoone, rijk zijn.

Al onze metaphysische ideeën hebben hun oorsprong volgens S., in eene ontzaglijke tegenstelling : de inwerking der buitenwereld, die ons wil vernietigen, en de reactie van ons ik, dat leven wil, tegen die fatale macht in.

Maar wat is nu de waarde dier ideeën omtrent de onzichtbare wereld des geestes? — Zij die buiten den invloed staan van Kant's wijsbegeerte zullen volgens S. hierover anders oordeelen dan zij, die den „doop zijner kritiek" hebben ondergaan. De eersten zijn dogmatici of sceptici. De laatsten gaan eerst vragen: is mijn kenvermogen wel goed? om daarna eerst over de waarde van het gekende te oordeelen. Het is voor Kant duidelijk geworden, dat de werkelijkheid niet alleen onze kennis, maar zelfs ons kenvermogen te boven gaat.

In alle kennis toch is een bestanddeel a priori (van het denkend subject) en een bestanddeel a posteriori (van de empirie). Het eerste noemt Kant den vorm, het tweede de materie der kennis. Zonder elkander, afzonderlijk, kunnen deze elementen niets uitrichten.

Het bestanddeel a priori bij de wetenschap is het begrip van causaliteit; de materie is het geheel der verschijnselen, dat zich aan den mensch voordoet.

Sluiten