Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de samenstelling des N. T. waren er „een zeker aantal verzekeringen, die zich doen kennen als uitingen eener openbaring, en die tot object hebben, goddelijke feiten, ontoegankelijk voor des menschen gedachte, door welke God heeft goed gevonden het heil der menschheid ... te bewerken."

Gaat het geloofsleven aan de reflectie, het dogma vooraf, — dat geloofsleven is toch op zijne beurt bij een denkend wezen hetgevolgvan een vroegere godsdienstige kennis. Brengt het leven licht voort, er moet toch eerst licht zijn om het leven voort te brengen. Reeds de oermensch, die uitroept „God is groot," is daartoe ook gekomen door het feit van de natuur die hem omgaf. Hoe veel te meer wordt de grond der ervaring van de eerste Christenen gezocht in een feit, dat buiten hen plaats heeft: het feit van Jezus' aardsche leven. Prof. S. schijnt de openbaring als een magische inwerking Gods te beschouwen. „Wat is de voldoende reden, de ratio sufficiens van het Zoonsbewustzijn bij Christus?

Waarom noemde Hij God zijnen \ader, en b.v. niet den Vriend aller menschen? Hoe kon Hij beweren macht te hebben om de zonden te vergeven?

Met wat voor recht mag iemand anders zich nu ook

zoon van God gevoelen?

Wanneer er geen geopenbaarde feiten aan zulk een bewustzijn ten grondslag liggen, wie bewijst mij dan, dat mijn „emotie," mijn „gevoel" geen zinsbegoocheling is?

En zou dat „bewustzijn," vaag en sluimerende in

Sluiten