Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurwetenschappen op de godsdienstige kennis toepassen. Maar het woord „evolutie" gebruikte hij alleen omdat hij er van houdt: „elk feit te beschouwen onder de voorwaarden, waaruit het zich ontwikkeld heeft, omdat elk verschijnsel een gevolg is van andere verschijnselen, waaraan dat feit zijn betrekkelijke waarheid ontleent." Op onze planeet wordt het zedelijke leven langzaam en smartelijk uit het organische leven geboren. Maar daarom beweert S. niet, dat het eene evenveel waarde heeft als het andere. Integendeel, er is werkelijke vooruitgang; het zedelijke leven ontstaat, wanneer het organische zijn doel bereikt. S. erkent een trapsgewijze ontwikkeling, en daarin ziet hij „une sorte de eréation vivante et continue." Meer dan alles erkent de hoogleeraar „1'action permanente du Dieu Créateur."

Een andere beschuldiging is die van pantheïsme.

Maar het „ik" is volgens S. toch een ander dan de goddelijke factor in het bewustzijn. Op dit geheimzinnige gebied is de ziel zich bewust van de aanwezigheid x) van een anderen persoon, een geheimzinnigen Vreemdeling. S. is tegenstander van de „identiteits-philosophie" en houdt meer van de antinomiën „van Kant of Pascal" dan van de „ontologische deducties van Plato, Spinoza of Hegel."

') „La eréation de Dieu n'est pas encore achevée.... Mais Ie peu que j'apercpois de 1'oeuvre divine me démontre qu'elle est progressive, qu'elle élève et enrichit la vie a chaque degré, et que ce progrès tient précisément aux antinomies essentielles oti ma raison se perd et ou mon coeur adore."

Sluiten