Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij staan hier bij eene poging tot verklaring van het feit der religie. De resultaten van de verstandsfunctie komen in strijd met de gewenschte resultaten der wilswerking.

De vragen stapelen zich hier op. Is de eenheid in 't oog gehouden van de menschelijke persoonlijkheid ? Is inderdaad de nuchtere mensch — om van den wilde niet te spreken — zich bewust, dat zijn verstand in strijd is met zijnen wil?

En verder — heeft de wilde geen andere middelen om zich tegen de dreigende natuur te beschutten? Heeft de aarde niet hare holen tegen de koude, hare hooge plaatsen tegen den watervloed? Kan veiligheid niet hetzelfde bewerken wat Prof. Sabatier hem bij zijne goden laat zoeken? Is het bewustzijn van een „souverein Wezen" bij den wilde aanwezig?

En er is meer. Is de beschutting, de beveiliging tegen het natuurlijke kwaad op zichzelf een z e d el ij k e daad? Mag hier S. zijne theorie op ééne lijn stellen met de tegenstrijdigheid tusschen „het practische en het theoretische denken?" i) Bedoelt Kant met zijn „du solist" alleen: gij zult willen, en uw leven bewaren? Of is bij Kant sprake van een ze de wet, die rust op de onderscheiding van goed en slecht?

Inderdaad, om aan dat altijddurend conflict tusschen verstand en wil, dat S. reeds bij den wilde veronderstelt, te gelooven, moet men nog meer goed vertrouwen

>) Zie Esq. p. 364.

Sluiten