Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

metaphysica uit te sluiten — eene poging die echter onmogelijk het gewenschte gevolg kon hebben. De „vroomheid" toch is niet alleen actief maar ook receptief — en de receptiviteit wordt hier miskend.

Op eene andere plaats — enkele bladzijden verder — zou men tot een andere meening komen. Daar is sprake van de religieuze kennis als „la théorie de la vie réceptive du moi." Deze plaats is echter te duister om hier licht te kunnen verspreiden. De vraag rijst: waardoor is het ik dan receptief?

Dezelfde bedoeling om de metaphysica uit te sluiten, vinden wij bij S. ook op de volgende bladzijden. Hij spreekt namelijk als zijne meening uit, dat de kennis, welke een speculatief wijsgeer van Gods wezen meent te hebben, geen godsdienstige kennis mag genoemd worden, evenmin als de kennis, die iemand heeft van de hemelvaart van Christus of van de wonderen, welke Hij deed.

Nu is de vraag: in welken zin is dit bedoeld P Zonder twijfel is dit laatste toch wel religieuze kennis in dien zin, dat het object dier kennis religieuze beteekenis heeft? Wanneer dit wordt toegestemd, mag het dan geoorloofd heeten, dat S. eenvoudig zonder meer het attribuut „religieus" aan dergelijke kennis ontzegt ? Hiermede wordt het gewone spraakgebruik willekeurig verlaten.

Immers tot welke kategorie behoort b.v. de Bijbelkennis van een leek ? Is dat wetenschappelijke kennis ? Natuurkennis ? Profane kennis ?

Sluiten