Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenige band, die ons met God kan verbinden 1), dan is daar ook de eenige plaats voor eene openbaring Gods. Zóó is verklaarbaar het motto der „Esquisse": Quid interius Deo ? 2) De openbaring is teruggedrongen naar het terrein van het gevoel. 3) In den inwendigen godsdienst van den vrome is God. Hij is ident met, of in onmiddellijk verband met de kern van het religieuze gemoed. Zijne werking gaat van binnen naar buiten, niet van buiten naar binnen. „L'esprit absolu n' habite point un corps . . . il habite les esprits et il se révèle immédiatement en eux par le sentiment proiond qu'il leur donne de sa présence. II agit sans cesse, mais il agit du dedans au dehors, non du dehors au dedans . . . 4) Uitgaande van de kern des gemoeds openbaart God zich dus naar buiten.... waarheen? Naar een ander gemoed? Maar dan zou dat gemoed een openbaring hebben van buiten naar binnen! Dus: nergens heen. Maar dan zijn wij — al wil S. het evenmin erkennen als eens de vrome Malebranche — bij het pantheïsme aangekomen. Dat wordt bevestigd wanneer wij van Prof. Ménégoz vernemen: het gansche heelal is de uitdrukking van Gods wil. Daarom verbreekt Hij geene natuurwet, noch doet zich kennen als phenomeen buiten of boven die natuur.

') „Hart" staat bij S. vrij wel gelijk met gevoel, daar het intellectueel element van het „hart" op non-activiteit gesteld is.

!) Naar Cicero: Quid interius mente? Het Christendom zegt: Quid interius mente Dei?

J) Waar moet men de „summa intelligentia" van Kant in het „Symbolisme" plaatsen ?

') La Religion et la culture moderne. 1897. p. 39.

Sluiten