Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evangeliën voorkomt. H. gaat hierop echter dieper in dan prof. Ménégoz 1).

Op belangwekkende wijze bespreekt Hoekstra de vraag „wat geloof is." Immers, „de(ze) vraag mag de allerbelangrijkste voor eiken heilbegeerigen zondaar (heeten)." H. neemt twee voorbeelden, 't geloof der Kananeesche vrouw en dat van den hoofdman van Kapernaüm. Beiden „rekenden niets voor de wondermacht van Jezus te groot of te moeilijk 2)."

„Tot groot geloof in Jezus behoort ook de innige overtuiging, dat bij Hem alleen redding te vinden is, buiten Hem nergens, en tevens, dat de Heer ons die redding zekerlijk geven wil3)."

Vervolgens wordt ook het geloof eener dwalende behandeld, namelijk dat der vrouw die Jezus'kleed aanraakte, zonder Hem aan te spreken. Zij dwaalde in haar beschouwingen, maar „dat er in Jezus kracht was, om haar te behouden, dat geloofde zij zeker 4)."

De receptieve zijde des geloofs werd intusschen door H. ook erkend: een opnemen van het leven dat Jezus aan ons mededeelt 5).

') Deze doet het af in minder dan ééne bladzijde; en noemt alleen Joh. V : 24, terwijl dan volgt: ... par la f o i Jésus-Christ entend — quand il rapporte ce mot au salut — la consécration de 1'ame a Dieu.

Maar wanneer heeft dat woord bij Jezus dan geen heilsbeteekenis? Hier ontbreekt helaas de vereischte diepgang.

s) Blz. 130 t. a. p.

3) Blz. 133 t. a. p.

') Blz. 202 t. a. p.

') Blz. 18 aant. t. a. p.

13

Sluiten