Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en het christelijk geloofsleven.

tusschen (iemands) godsdienstig leven en de voorstellingen die men zich over de godsdienst vormt." *)

Deze discussie is daarom zoo belangwekkend omdat daaruit blijkt, dat dergelijke vraagstukken, die in Frankrijk als nieuw optreden, ten onzent reeds besproken zijn, al bleven ook hier eenzijdigheden niet uit.

Te recht heeft Prof. Lamers in zijne reeds meermalen aangehaalde verhandeling, het geloof2) beschouwd èn als daad èn als toestand, èn als receptief èn actief, èn als een geven van Gods zijde (objectief) èn als een tot zich nemen van 's menschen zijde (subjectief).

De groote fout van het Fideïsme is te dezen opzichte, dat geloof wordt beschouwd als een geven van 's menschen zijde, terwijl hier feitelijk een nemen, maar een persoonlijk nemen op den voorgrond staat. Wanneer iemand met volle bewustheid iets aanneemt, iets aannemen wil, dan wordt het nemen, het ontvangen daardoor alleen reeds iets actiefs.

Deze actieve zijde komt bij prof. Ménégoz eenzijdig uit. Eenen God, die den zondaar niets geeft3) — het zij met eerbied gezegd — zou de zondaar niets kunnen wijden, allerminst zijn hart, daar hij zelfs niet zou kunnen weten, dat er zulk een God bestaat.

Nemen wij nu de H. S. ter hand, dan blijkt, dat het Christelijk geloof staat en valt met de

') T. a. p. blz. 30.

3) Conf. ook Wetensch. v. d. Godsd. II blz. 488 v.v.

J) Zelfs voor het geloof in Hem, als die ons „het leven, den adem en alle dingen geeft", is toch eene voorstelling noodig van God als persoonlijk Wezen.

Sluiten