Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiten Christus en zijn Evangelie om (Hd. 2, Rom. 8 : 9 enz. *).

Het geloof nu is een vastgrijpen, een ontvangen, een vasthouden van die kracht, waarvan het bezit een der heerlijkste getuigenissen is van de waarheid des Evangelies, vooral omdat het geen kracht is van fanatisme, maar de kracht welke den „vrede" werkt, „die alle verstand te boven gaat."

De gemeente in wie die kracht leeft, weet, niet dat God een „Dieu intérieur" zou zijn, in dien zin, dat Zijne kracht niet van buiten op haar zou inwerken, maar belijdt, dat „uit Hem en door Hem en tot Hem alle dingen zijn," 2) dat wij leven „in Hem." 3)

Niet gaarne zou ik beweren, dat hiermee eene volledige definitie zou gegeven zijn van het rijkste begrip wellicht, dat in de H. S. voorkomt, namelijk dat van 7r''TTtCy maar wel meen ik, dat hier een ontzaglijke lacune schuilt èn in het Symbolo-Fideïsme èn in de richtingen, die het bestrijdt. Voor misverstand moet echter ook hier gewaakt worden. Niemand denke aan een magische kracht, maar aan het geheim der Goddelijke persoonlijkheid, welke zich uit in en door individuen.

Gaat men van meer speculatieve gedachten uit, en wil men in de Johanneïsche lijn spreken van het geloot als een aanschouwen van het onzienlijke, men

') Merkwaardig is, hoe dit begrip bij de apostolische vaders bijna geheel ontbreekt. Verg. daarentegen ook nog 2 Tim. 1 : 7, 8, Hebr. 7: 16, ix : 11, 1 Petr. 1 : 5.

*) Rom. xi : 33.

3) Hand. 17 : 25.

Sluiten