Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bladsteel zag ik, dat de jonge zeefvaten, die in groepjes van 2—3 naast elkaar voorkwamen, ongeveer 32 microns lang en 4,8 microns breed waren. De wanden, die later zeefvormig doorboord worden, lagen op eene lijn. De alkaloïde-houdende, jeugdige begeleidende cellen waren de helft smaller.

Verder trof ik blijkbaar in cambiumcellen en in jeugdige bast- en hout-elementen veelvuldiger alkaloïde aan, terwijl in het groeipunt, waar de vaatbundels zich beginnen te differentieeren, Lotsy in alle cellen alkaloïde aantrof, waar ik voornamelijk de primaire schorscellen als dragers aantoonde. Al deze verschillen worden, mijns inziens, voldoende verklaard door aan te nemen, dat mijne planten niet zoo sterk groeiden als die, welke op Java werden onderzocht.

Het alkaloïde, dat gevormd wordt, werd hier niet zoo spoedig ontleed om wederom in de stofwisseling te worden opgenomen, en is het dan eenmaal daarin overgegaan, dan is de nieuwvorming te traag om steeds in de behoefte aan alkaloïde te voorzien.

Dit zien wij b.v. duidelijk in de nabijheid van het phellogeen. Hierin kon ik geen alkaloïde aantoonen (Lotsy wel), evenmin in de allerjongste kurkcellen; wel echter in nog jonge kurkcellen,

Sluiten