Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Door de onderzoekingen aangaande de stolling van het bloed, in de eerste plaats die van Wooldridge, is de aandacht gevestigd op de eiwitachtige bestanddeelen van de thymusklier. Men vond, dat uit dit orgaan, door uittrekken met water, eene groote hoeveelheid eiwit verkregen kon worden, dat, door azijnzuur neergeslagen , althans in hoofdzaak tot de groep der Nucleoproteiden bleek te behooren.

Lilienfeld x) heeft deze eiwitstoffen nader onderzocht en kwam tot het besluit, dat verreweg het grootste deel daarvan bestond uit een nucleoproteide, waaraan hij den naam gaf van nucleohiston. Daarnaast vond hij nog een ander nucleoproteide, dat, in tegenstelling met het nucleohiston, gemakkelijk oplosbaar bleek te zijn in verdunde zuren. Een ander verschil tusschen deze twee stoffen vond Lilienfeld hierin, dat, terwijl het laatstgenoemde nucleoproteide eerst door de werking van pepsine en zoutzuur in eiwit en nucleine gesplitst wordt, deze splitsing bij het nucleohiston reeds door verdund zoutzuur alleen bewerkstelligd wordt. Hier wordt dus de verandering van de eiwitcomponent door pepsine vermeden.

Bij de splitsing met verdund zoutzuur blijft de nucleine onopgelost en gaat de eiwitcomponent in oplossing over.

1) Zeitschr. f. Physiol. Chemie, Bd. XVIII, S. 473.

1

Sluiten