Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene reeks van proeven mede over de werking van nucleohiston op vloeistoffen, die fibrinogeen bevatten en kwam daarbij tot het besluit, dat het nucleohiston niet in staat is, het fibrinogeen in deze vloeistoffen te doen stollen, maar dat het integendeel de stolling belemmert.

Werd echter het nucleohiston vooraf gesplitst met baryt- of kalkwater, dan was de daardoor verkregen nucleine, na neutralisatie van het Ba(OH)2 resp. Ca(OH)2, wel in staat stolling te weeg te brengen. Lilienfeld verklaart dit door aan te nemen, dat in het nucleohiston de nucleine het eigenlijke stolling veroorzakende agens is, terwijl het histon de stolling tegengaat. Wordt nu alleen de nucleine gebruikt, zooals in bovenstaand geval, dan komt de stolling tot stand.

Wanneer de nucleine zoo werd bereid, dat ze niet met baryum- of calciumzout vermengd was, b.v. bij de bereiding met 0.8 °/o HC1, dan veroorzaakte ze geene stolling, doch deed in de fibrinogeenhoudende vloeistof een groot neerslag ontstaan, volgens Lilienfeld een splitsingsproduct van het fibrinogeen, door hem thrombosine genoemd ('t andere splitsingsproduct scheen eene

albumose te zijn).

Deze thrombosine zou dan zonder verdere hulp van de nucleine, alleen door toevoeging van calcium- of baryumzonten in fibrine overgaan, welke fibrine niets anders als eene verbinding van de thrombosine met calcium of baryum zou zijn. Was dus in de fibrinogeen oplossing geen calcium- of baryumzout aanwezig, dan bleef het bij de praecipitatie van thrombosine en fibrine werd niet gevormd. Hieruit werd het volgens Lilienfeld duidelijk, waarom nucleine met Ba (OH)2of Ca (OH)2

Sluiten