Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zure reactie meer in het waschwater was aan te toonen. Het praecipitaat werd daarna in een gewogen bekerglas gebracht en met gedistilleerd water gemengd tot een volumen van 225 c.c. Vervolgens werd uit eene buret 11 io n—NaOH toegevoegd onder omroeren van het mengsel. Als indicator, om aan te toonen, wanneer de reactie alkalisch werd, diende een druppel phenolphthaleine; de hoeveelheid van het neerslag, die nog onopgelost is kan ongeveer als maatstaf daarvoor dienen, hoeveel van het alkali nog toegevoegd moet worden. De alkalische reactie ontstond na toevoeging van 17.3 c.c. V io n—NaOH. Met gevoelig lakmoespapier werd tevens nog het alkalisch worden van de vloeistof gecontroleerd. In 225 c.c. van het laatste waschwater werd de roode kleur met phenolphthaleine zichtbaar na toevoeging van 0.15 c.c. 1 /10 n—NaOH; voor het oplossen van het nucleohiston was dus verbruikt 17.15 c.c. Vlo n—NaOH. Deze oplossing werd nu in het vooraf gewogen bekerglas tot droog toe ingedampt en vervolgens bij 110° op constant gewicht gebracht. Uit de gewichtsvermeerdering van het glas bleek, dat er 2.4902 gr. natrium-nucleohiston in aanwezig was (de geringe hoeveelheid, die verloren was gegaan, doordat een paar malen lakmoespapier in de vloeistof was gedoopt, is buiten rekening gelaten, evenzoo het droge gewicht van den druppel phenolphthaleine).

2.4902 gr. natrium-nucleohiston bevatte dus zooveel natrium als aanwezig is in 17.15 c.c. Vio n-NaOH; dat is alzoo 39.445 milligram. Het natrium-nucleohiston bevat dus 1.5H4 °/0 natrium. Dit gehalte komt overeen met 1.374 °/0 calcium, terwijl bij de directe calcium bepalingen 1.336 u/„ Ca werd gevonden.

Sluiten