Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werden evenals in de oude marken gezamenlijk en op kosten der markgenooten onderhouden. De stadsmarke dus was in den aanvang geheel gelijk aan de oude dorpsmarke. Zij behoorde den burgers gezamenlijk voor zoover /.ij niet verdeeld was en den burgers afzonderlijk, voor zoover zij hun was toegedeeld. Het onverdeelde land, de pleinen, straten en vestingwerken waren gezamenlijk eigendom van de burgers. In al die behoeften, die lateials publieke behoeften van de stad zouden worden beschouwd, voorzag de marke: scheiding tusschen publieken privaatrecht bestond nog niet. De markgenooten hadden zoowel privaatrechtelijk den eigendom, het genot van de marke als waren publiekrechterlijk heer en meester over hunne gronden. Dit alles duurde echter slechts zoolang, als de plaats nog niet afgescheiden was van het platte land, als 't ware nog een marke vormde, waarvan de hoofdplaats wat grooter en sterker was, dan van de andere marken. Door de privilegiën evenwel, die aan de plaats geschonken werden, scheidde deze zich af van het platteland; inden beginne werden deze voorrechten aan de gezamenlijke inwoners geschonken; later aan i|e stad als zoodanig: de stad werd rechtspersoon '). Kn met die rechtspersoonlijkheid van de stad, K'mg eene groote verandering gepaard in de hiervoor beschreven oorspronkelijke toestanden.

In de eerste plaats ging liet publiek gezag, dat de markgenooten bezeten hadden over hunne gronden, nu op de stad over. Kr ontstond een stadsgebied, dat zich zoo ver uitstrekte als vroeger de marke en waarop het stadrecht

l) Zie Otto Gierke: das Deutsche Genoszenschaftsi'echt II ]>ag. 626 vgl.

Sluiten