Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer over den eigendom van de marsch gesproken wordt: „want die stadt Deventer baven vier oder vijffhundert jaren den hogen marsch, ende baven aller menschen memorie, in rustelichen bezit gehadt hefft." ')• En nu zal die termijn van 400 of 500 jaren wel wat overdreven zijn, maar er blijkt toch in elk geval uit, dat men in dezen tijd stellig meende, dat de stad de weiden in eigendom bezat, zoo stellig, dat men zich het tijdstip, dat het niet zoo geweest was, zelfs niet meer herinneren kon.

Door deze eigendomsovergang nu kwam een groote verandering in het karakter der gebruiksrechten, verandering die een even geleidelijk verloop had, als de eigendomsovergang zelve. In de oude marke hadden de markgenooten het genot van hunne weiden, bosschen en velden, ieder voor zooveel zij voor zich en hun gezin tot onderhoud behoefden. Dit gebruiksrecht nu, dat zij van hun eigen gronden hadden, kan niet anders dan van privaatrechtelijken aard geweest zijn. Toen begon de stad zich te ontwikkelen uit het markedorp en het einde van deze ontwikkeling was, zooals we al zagen, dat de markegronden door de stad in eigendom werden verkregen en dat de stadsregeering het gezag en de macht over de weiden bekwam. Dit nu verhinderde volstrekt niet, dat de gebruiksrechten, die de markgenooten vroeger van hunne marke gehad hadden, bleven bestaan; voortaan werden deze door de burgers uitgeoefend 2). Zooals vroeger

') Zie v. Vloten „Het goed recht der gemeente Deventer op hare weiden, pag. 25.

2) Endlich aber sehlosz das Alleineigenthum der Stndt auch sogenannte biirgerliche Nutzungen nicht aus. Gierke II U83.

Sluiten