Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in hun qualiteit van grootburger vee op te drijven. Bij concordaat van 26 April 1779 werd de zaak geregeld en als volgt besloten: „dat aan het Coerhuisje, Iperenberg en het Bolwerk een zeker getal van paarden, beesten en bullen ter grasing op Stadsweiden tegen betaling der gerechtigheden daer toe staande, zoude dienen te worden toegestaan en wel aan het Hoerhuis 9 koeien, 2 bullen en 4 paarden, aan den bewoner van den Iperenberg 7 koeien, 2 bullen en 2 paarden en aan die van het Bolwerk 4 koeien en een paard, zonder dat de pachters haar grootburgerrecht hierin zal te stade komen".

Daar zijn nog twee rechten tot opdrijven, welke het stadrecht niet vermeld en die later ontstaan schijnen te zijn: het recht van den Slijpmolen en dat van Kokmansweide. Het eerste was verbonden aan een molen in de Smedenstraat, waar liet grol' ijzerwerk geslepen werd. De eigenaar van dezen molen had van de stad het recht verkregen om het paard, voor zijn bedrijf benoodigd, op de weide te drijven. Over den tijd van het ontstaan van dit recht is evenmin als van dat van Kokmansweide iets in het oud-archief te vinden. De eigenaar van dit laatste had het recht een paard op te drijven.

Ten slotte was er nog een categorie personen tot de weiden gerechtigd: de zoogenaamde officianten, dat zijn zij aan wie het uit hoofde van hunne betrekking vergund werd op te drijven. Aan welke betrekkingen dit verbonden was is niet uit te maken. Het eene jaar is de lijst van officianten veel grooter dan een volgend. Wel zijn er een

*) Kadastraal bekend onder sectie E No. 5706—5710, 5713—5715, 6445 en 5058.

Sluiten