Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er van behielden, bleef toch die oude gewoonte bestaan; ieder gerechtigde dreef op zijn eigen recht zijn eigen vee op. Duidelijk spreekt ook het stadrecht van 1642 in de drie eerste artikels van Titel VII. Art. 1 meldt het getal waartoe elk burger gerechtigd is: .... „ende sal een volle Burger mogen opbranden laeten drie Koeyen, een Bulle, ende een Ruyne." Art. 2 stelt straf op het laten opbranden van ongerechtigd vee op eigen naam: „Indien een burger ongewaerde beesten op synen name dede opbranden, sullen niet alleene die beesten verbeurt wesen, maer sal oock de Burger daerenboven arbitralick gestraft worden. I er wijl art. 3 voorschrijft, dat bij eenig kwaad vermoeden de eigenaar bij de opbranding moet worden ontboden en onder eede verklaren, dat het zijn vee is, dat wordt opgebrand: „Ende indien eenigh quaet bedencken voorviele, sal deygenaer der beesten by de opbrandinge ontboden worden, om, so noodich, ende des versocht zijnde, met eede ofte hanttastinge te verclaeren, dat die beesten hem toebehooren, ende anders niemant, dat oock de melck der beesten in sijn eygen liuys tot sijn evgen profijt sal gedragen worden."

Tocli schijnt reeds vroeg op het verbod om de weide te verpachten inbreuk te zijn gemaakt. In 1554 !) toch brengt de meente in: „dat groet misbruyck is inder weiden te weren, dat nyemant einge weiden sall mogen verpachten, off verhuyren, dat oick die tychelers ghene andere peerden sullen annemen dan alleen oirs selves peerden. En ook later verstond de gemeente op dit punt geen gekscheren.

l) 16 Febr. 1554.

Sluiten