Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij resolutie van 3 Januari 1667 permitteerden Schepenen en Raad aan de gasthuizen om, aangezien zij hun landbouwbedrijf en als gevolg daarvan hun paarden en koeien wilden afschaffen, de weide van zoo menig paard en koe, als waartoe zij gerechtigd waren, aan derden te verpachten. Maar nog in hetzelfde jaar ') komt de meente hier tegen op en brengt van haar kant in: „dat de gasthuisen het recht van de weyde niet mogen verpachten." Schepenen en Raad geven een ontwijkend antwoord: „zy sullen sorge draegen, dat 't geene tot redres van finantiën der gasthuisen by luier Ed. is geresolveert niet sal strecken tot nadeel van 't recht van deser Stadtsweyde ofte van de gemeente." In September2) van hetzelfde jaar komen Schepenen en Raad op dit punt terug. De Heeren provisoren van het Voorster gasthuis hadden bij het doen der laatste rekening medegedeeld, dat zij, na nauwkeurige examinatie van den staat van uitgaven en ontvangsten, bevonden hadden, dat het gasthuis steeds achteruitging en dat een algeheele ondergang stond te wachten, als hierin niet spoedig werd voorzien; daarom stelden zij voor het landbouwbedrijf van het gasthuis af te schaffen, waardoor jaarlijks vele kosten aan knechts, meiden en gereedschappen verdaan, zouden bespaard blijven en verzochten tevens in het vervolg de weidereehten te mogen verpachten ten voordeele van het gasthuis. Schepenen en Raad hadden hier geen bezwaar tegen en stelden het nu de meente voor. Maar deze bleef bij het vroeger genomen

l) 23 April 1667.

s) Concordaat!). 24 Sept. 1667.

Sluiten