Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hot antwoord. In de volgende J) vergadering komen Sch. <'ii R. met voorstellen betreffende dit punt voor den dag: betreffende de tichelers kan voorloopig geene verandering gebracht worden voor het afloopen van de pachtjaren; maar wat betreft den secretaris, de roedendragers en uitrijders — hoewel zij sedert onheugelijke jaren dit recht hebben gehad — benevens de weidegreven, schutters en eenige anderen hebben Sch. en Raad de zaak overwogen en bevonden, dat hiervoor jaarlijks ongeveer 250 dalers noodig is. Waarom zij voorstellen het opbrandgeld in plaats van 13 stuiver en een duit op 20 stuiver te brengen. Natuurlijk was dit voorstel niet erg naar den geest van de gezworen gemeente; haar antwoord is drieledig: „belangende die propositie van verpachtinghe der Stadtweyden, angesien die Tichelers ende die op de Toorns woonen tegenwoordigh in haer pachtjaren sitten, dat die nae voleyndinghe der pachtjaren affgeschafft mogen werden; die secretaris, roedendragers ende uitrijders als oock anderen, twijfelen niet, sullen Sch. en R. hare dieners weten te gagieren, sonder beswar van die burgerweyde. Yolgents die weydegreven ende schutters konnen van dat gene soe albereits daertoe staet gegagiert worden, sonder derwegen eenighe verhooginge te doen." De meente oordeelde dus, en zeer terecht, dat het niet aanging, dat stadsdienaren uit het opbrandgeld betaald werden; alleen voor de weidegreven en schutters, personen die in eenige betrekking tot de weiden stonden vond zij dit goed, doch meende tevens, dat de opbrengst van het opbrand-

') Concordaatb. 2 Mei lf>20.

Sluiten