Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld reeds zeer voldoende was om hen daaruit te betalen. Zoo kwam er voorloopig van de zaak niets: „Schepenen en Raedt latent verblijven by de gebruyck soe bis her toe is gewesen." Ook het herhaald aandringen in volgende jaren mocht voorloopig niet baten ')■ Toch wist de gemeente voorloopig al iets te bewerken; zij verkreeg toch, dat voor het vervolg alleen burgers de weide mochten pachten, waarop zij herhaaldelijk aandrong 2). En eindelijk wist de gemeente door toe te geven op het punt der verhooging van het opbrandgeld het verpachten af te schaffen. In 1637 3) brengt zij in: „dat afgeschaft worde het verpachten der koeweyden van den Secretaris, schutteren ende anderen en dat elck biest liever so veel te meer geit geve, daermede voorz. persoonen konnen betaelt worden." Nu hadden Sch. en R. natuurlijk geen de minste bezwaren meer: „Sch. en R. accorderen, dat van nu voortaen die officianten gerechticheit van peerden ende koeweyde opter stadtsweyde sal comen te cesseren, mits dat dieselve sollen hebben en genieten een aequivalent, so te meer opter brandtt gestelt sal worden om daeruyt te moegen vervallen en door de weydegreven des Raedes betaelt te worden." Dit aequivalent is bij resolutie van 18 April 1637 voor een paard op 12 dalers en voor een koe op 6 dalers bepaald *). Ook het verpachten van de tichelers en de bewoners van de wachthuizen is zeker bij de volgende contracten vervallen. Zoo

!) Zie concordb. 11 Febr. 1634, 5 Maart 1634, 13 Febr. 1635.

2) Zie concordb. 22 Juli 1636, 15 Dec. 1636, 11 Maart 1637.

8) 11 Maart 1637.

*) Zie register en aanteekeningen der weidegreven anno 1650.

Sluiten