Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gezonderd — op te drijven. In plaats van het verstoken zijn van het recht een volgend jaar op te drijven kwam bij overtreding van het reglement hiervoor nu een geldboete van 20—50 guldens'). Er is in dit reglement nog een bepaling, die opmerking verdient. Ik bedoel art. 2: „het guste vee zal gedurende het geheele jaar op gezegde weiden mogen gelaten worden." Dit is een afwijking van hetgeen hieromtrent vroeger bepaald was 2).

Ik heb te voren vermeld, dat men in 1837 de toen nog geldende bepalingen betreffende de grootburgers en hunne rechten heeft verzameld 3). Ik wil hierover nog een enkele opmerking maken, zoodat men een goed beeld verkrijgt hoe het recht dus in dat jaar werd uitgeoefend. De vereischten aan welke men moest voldoen, wilde men opdrijven 4) bleven in stand. Eigen vestiging, in elk geval eigen vuur en licht, bleef een hoofdvereischte. Hierdoor zijn uitgesloten alle dienstboden; allen die bij anderen inwonen, zonder dat zij een afzonderlijke kamer hebben, alwaar zij het grootste gedeelte van den dag doorbrengen en ten minste gewoonlijk vuur en licht houden, ook minderjarige weezen, die geene afzonderlijke huishouding hebben, welke op lum naam gevoerd wordt 5). Op dit vereischte is in de latere jaren vooral zeer sterk gelet en talrijk zijn de gevallen, dat aan iemand de uitoefening van zijn recht werd ontzegd, omdat hij hieraan niet voldeed. Ook nu nog

1) Zie artt. 6, 7, 8 en t», besluit 2 Maart 18111.

i) Zie dissertatie jiag. 60.

•i) Zie dissertatie pag. 54.

l) Zie dissertatie pag. 80.

■r>j Zie i 14a bij besluit van 22 Mei 1837 bij het besluit van 2 Mei 1837 gevoegd.

Sluiten