Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon uit één huis maar één recht worden uitgeoefend: § 14 van het besluit van 1837 omschrijft dit aldus: „uit één huis in hetwelk ouders en kinderen bij elkaar wonen, mag slechts een recht op de Stadsweiden uitgeoefend worden.- Resolutie van 17 Mei 1647. Dit beginsel is nader ontwikkeld in het volgende Concordaat. Grootburgers, welke hun rechten uit denzelfden hoofde hebben, zooals ouders en kinderen, broeders en zusters, wanneer zij bij elkander in één huis wonen, mogen de weide met geen dubbeld getal beesten of paarden bedrijven, zijnde hieronder mede de weduwen begrepen, wanneer zij bij hare ouders, kinderen, broeders of zusters in huis wonen en met dezen hun recht uit denzelfde hoofde deriveren. Wanneer zoodanige weduwen daarentegen haar recht van haren overledenen man ontleenen, mogen zij, ofschoon bij hare ouders, kinderen, broeders of zusters wederom gaande inwonen, echter van dit recht gebruik maken."

Voldeed men aan al deze vereischten dan mocht men als van ouds opbranden, drie koeien, een bul en een ruin1). De koerechten mochten verpacht worden; de paarderechten niet2). De verklaring betreffende den eigendom der koeien, op de vorige bladzijde vermeld, bleef in stand ï). Ook nu echter mocht niemand meer dan drie koerechten pachten k).

Ik heb tevoren medegedeeld5), dat, toen aan de gestichten geweigerd werd hunne rechten te verpachten, deze rechten

!) \ 18 besluit 1837.

2) \ 19 besluit 1837. In liet algemeen mochten de paarderechten niet verpacht worden: een enkele uitzondering zal aanstonds gemeld worden.

s) % 20 besluit 1837.

4) § 21 besluit 1837.

5) Zie dissertatie pag. 70.

Sluiten