Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komst van 1837 ') de stad het vroegere recht van den ticheler verkreeg en 3 koeien en 3 paarden mocht opdrijven. Evenals de gestichten mocht ook de stad hare paarderechten verpachten.

De rechten van den Slijpmolen en van Kokmansweide bleven in wezen I). Dit laatste recht kon verpacht worden en werd in 1884 bij acte van 15 Juli en 12 Aug. dooide stad voor /' 1000 afgekocht.

Ziehier dan de regelen, zooals die in 1837 opnieuw werden vastgesteld. Een groote en zeer belangrijke verandering in de uitoefening van het recht vond plaats in 1866 bij besluit van den Raad van 15 Febr.; art. 1 van dat besluit luidde: „de zoogenaamde rechten van de gestichten, de grootburgers en enkele anderen, tot het drijven van vee op de stadsweide, worden, te beginnen met het jaar 1866, vervangen door jaarlyksche uitkeeringen in geld uit de gemeentekas." Het besluit had zijn oorsprong te danken aan de overweging, dat het eindelijk tijd werd een einde te maken aan een meer dan verouderden toestand, te meer ook daar men meende, dat er van de weiden heel wat meer partij zou kunnen getrokken worden, dan tot op dien tijd gedaan was. En toen nu in 1861 hij den Raad een verzoek inkwam van een aantal grootburgers, die, zich grondende op een vermeend eigendomsrecht der grootburgers op de weiden, vroegen de weiden onderling te mogen verdeelen, een verzoek dat afgeslagen werd, vond de Raad hierin een geschikte aanleiding, om eindelijk

J) Zie dissertatie pag. 12. !) jf 31 besluit 1837.

Sluiten