Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

commissie in haar rapport, dat in November 1865 uitkwam, eerst de aandacht om vervolgens haar eigen conclusie te trekken. Deze was, in strijd met die van Mr. Jordens, dat de weiden eigendom zijn van de stad en dat het weiderecht publiek recht is. De eigendomskwestie zal later') ter sprake komen; dat het weiderecht een publiek recht is concludeerde de commissie op deze gronden: van oudsher heeft de magistraat het recht gehad om regelen voor het verkrijgen van 't gebruik zijner weiden vast te stellen om dat gebruik aan allerlei voorwaarden te verbinden, om het eerst toe te staan aan eiken burger en later aan een bepaalde klasse, om het getal van het op te drijven vee en den koopprijs, voor dat gebruiksrecht te betalen, geheel naar goedvinden vast te stellen 2). Uit dit publiekrechtelijk karakter besloot de commissie dan, dat de Raad ook nu de bevoegdheid had om het recht tot het opdrijven van vee op stadsgronden op te heffen of anders te regelen. Zonder schadevergoeding echter wilde zij dit niet doen: „wij willen die vergoeding ook niet beschouwd hebben, als alleen op billijkheid steunende, zoodat men die des goedvindende zon kunnen weigeren, maar als zoo dringend gevorderd, dat billijkheid en recht hier als eensluidend zullen mogen genoemd worden" 3). Bij het uitkeeren van die schadevergoeding wilde de commissie dezelfde regelen volgen, als bij het opdrijven van het vee waren bepaald: m. a. w. al die bepalingen, die betrekking hadden op de vraag, wie tot opdrijven gerechtigd waren

•) Zie het zevende hoofdstuk. 2) Rapport pa#. 23—24. s) Rapport pag. 24.

Sluiten