Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden de timmermeesters tevens de zorg voor de weiden. In de oudste Cameraars-rekeningen komt onder de ambten, die de Schepenen jaarlijks onder elkander verdeelden ook nog voor dat van: „deputatus ad officium scutambocht." Zij worden evenwel maar hoogst zelden genoemd ') en hun werkkring is daarom ook niet bekend. Van Doorninck 2) vermoedt, dat zij belast waren met het schutten van vreemde beesten van de weiden, hetwelk hij wil opmaken uit den volgenden post: „Item Johanni Hadersleef de expensis factis in officio dicti scutambocht ex parte pecorum et bestiarum Theoderici ter Oij xxx s 3). Is dit zoo, en mijns inziens is hier niet aan te twijfelen, dan zou ik denken, dat de timmermeesters de zorg voor de weiden hadden in de ruimste beteekenis, terwijl die van het scutambocht alleen toe te zien hadden, dat geen ongewaard vee werd opgedreven. Maar toen door de steeds toenemende uitbreiding van de stad de taak der timmermeesters te zwaar werd, zal men hun de zorg voor de weiden ontnomen hebben en die vereenigd met het scutambocht, tot een nieuwe waardigheid, die van weidegreve, hebben gemaakt. Na 1362 was dus het toezicht op en de zorg voor de weiden opgedragen aan -2 schepenen, door de magistraat gekozen. Later werd het regel, dat de twee jongste schepenen het ambt van weidegreve waarnamen k). In 1464 werden hij deze twee weidegreven uit de magistraat er nog twee gevoegd uit de gezworen gemeente. In dit jaar toch

1) Zie b.v. cameraarsrekeningen 1 pag. 118, 146, 249.

2) Zie inleiding tot de cameraarsrekeningen pag. XXV11.

s) Cameraarsrekeningen II pag. 739.

*) Zie Dnmbar K. en W. Deventer I pag. 28.

Sluiten