Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nooit iets vermeld»). Allicht heeft men er nooit over gedacht, mogelijk ook meenden de grootburgers, dat het eigendomsrecht der stad onwrikbaar vast stond. Pas in de afgeloopen eeuw kwam herhaaldelijk de eigendomskwestie ter sprake. Zoo in 1816, toen de genie een deel \ an de reuge als rijksgrond vorderde en de stad betoogde, dat die grond sinds eeuwen stadseigendom was; eveneens in 18.57, toen de Kalverweide in ruil voor grond op de Marsch aan de stad kwam 2); en dat men toen niet tot overeenstemming kon komen blijkt wel uit het slot van het contract: „deze regeling van belangen is door de vergadering gearresteerd, uit aanmerking dat dezelve als een onpartijdige ruiling werd beschouwd en zonder daardoor de kwestie te beslissen of de stad eigenares der weiden is en de grootburgers slechts een recht van weiden hebben dan wel of de grootburgers eigenaars zijn en de stad slechts de administratie heeft". Maar toen in 1861 de raad belangstellenden verzocht hun denkbeelden te ontwikkelen, hoe het gemeenschappelijk gebruik met behoud van ieders rechten door een beteren toestand kon worden vervangen, toen eerst ontbrandde de groote strijd, bij wie de eigendom der weide was, bij de stad of bij de grootburgers, in al zijn heftigheid. In een zeer belangrijk werkje: „Deventer Stadsweiden en Burgerrechten", getiteld, verdedigde Mr. H. W. Jordens met klem het goed recht der grootburgers. Ik wil zijne argumenten voor het eigen-

*) Ik moet den twist niet den Gelderschen hertog uitzonderen; maar hier

liep de strijd niet tusschen de stad en de grootburgers, maar tussehen de stad en den hertog.

2) Zie dissertatie pag. 12.

Sluiten