Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hunne goede gronden zoo maar aan de stad cadeau gaven. Hoeveel natuurlijker is het dan met mij de geleidelijke overgang van de markegronden in stadsgronden aan te nemen.

Jordens heeft nog een argument voor zijn stelling, dat de weiden eigendom zijn van de grootburgers.J) Hij vindt dit in de eigen rechten, die de stad had om beesten op te drijven; „deze toch zijn" — ik schrijf af — „volstrekt niet overeen te brengen met het denkbeeld van eigendom der weiden; zij stellen de stad (Burgerlijke Gemeente) wat het gebruik der weiden aangaat met de Grootburgers en gestichten volkomen gelijk." We moeten ons echter goed voorstellen hoe de toestand vroeger was. De leden van Raad en Meente waren- allen, vrijwel zonder uitzondering, grootburgers, tuk op hun recht van opdrijven en steeds, we zagen het vroeger reeds, beangst, dat de toevloed van op te drijven beesten te groot zou worden. En dan kan het ons, wanneer we dit bedenken, niet vreemd voorkomen, dat zij ook de stad niet vrij lieten zooveel beesten op te drijven, als deze wilde, maar haar aan een bepaald getal bonden.

Met Jordens' theorie, dat de weiden eigendom zijn van de grootburgers, moet noodwendig samengaan, dat hij het weiderec-ht als privaatrechtelijk beschouwt. Het weiderecht was echter een recht, dat iemand uitsluitend als burger toekwam en geheel en al met het burgerschapsrecht verbonden was. Nu onderscheidt hij in dit burgerschapsrecht®): „l°staats-

') Zie Jordens iiag. 61. !) Zie Jordens pag 15.

Sluiten