Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

concludeerde, dat de drost van de Veluwe in deze zaak niet competent was. De zaak bleef gedurende eenige jaren hangende en kwam zelfs in 1536, op beklag van Deventer, voor het Kamergericht. Ten slotte werd bij het traetaat van Grave tusschen Keizer en Hertog gesloten, de stad Deventer in het bezit hersteld: „is geaccordiert, getractiert ende overkomen dat die van Deventer ende andere ingezetenen der landen van Overijssel, die vurs. pasturagien, werden ende weyden, ende namelick van de hoge ende lage mersch, Fennenoert, Harckeloerweert, Aldenyelerweert, ende andere neffens die vurs. leggende, sullen blijven possessieren, gebruyken ende genieten in alder man veren, gelick zy tot noch doe gedaen hebben."

Men zou denken, dat hiermede de strijd geëindigd was. Niet alzoo echter. Hertog Karei zeide reeds in het volgend jaar het traetaat op en 1111 wendde zich de ridderschap en steden van Overijsel tot de landvoogdes Maria 0111 bij haar recht te zoeken. De 6 afgevaardigden, 3 voor de ridderschap en 3 voor de steden, kregen een uitvoerigen lastbrief mede, waarin het goed recht der gemeente Deventer op de weiden werd betoogd. Dezen lastbrief had ik straks op het oog, toen ik sprak van het bewijs voor het eigendomsrecht, dat in dezen twist gelegen was. Ik druk hem in Bijlage III af en wil dit stuk hier ter plaatse nog wat nader bespreken. Na een korte vermelding van den strijd, die vooraf gegaan is, begint de opsomming van de bewijzen, dat de weiden aan de stad behooren. Betreffende de hooge marsch wordt het volgende aangevoerd: dat die

1) 10 Dec. 1536.

Sluiten