Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uitdrukkelijk wordt hier gesproken van gebruiken en genieten, beide woorden, die geenszins op eigendom, doch alleen op een gebruiksrecht duiden. En zoo spreekt ook het stadrecht van 1642 '): „de volle ende groote Burgerschap bestaet in vrijen coophandel, genietinge der tollen, ende andere Stadtsvryheden, boneffens het gebruyck van der Stads weyden," alleen van een gebruiksrecht. Jordens heeft dit wel gevoeld, maar er iets op gevonden 2). Volgens hem wilde het stadrecht ook alleen maar het gebruik, dat de burgers en andere rechthebbenden hadden, regelen. „Over de vraag van den eigendom bewaart hetzelve het stilzwijgen, en daar was ook geene bepaling noodig, omdat de vraag bij den toenmaligen stand van zaken van geen het minste belang was en bij de waarheid, dat de weiden behoorden in den kring der Stadsmarke, zelfs niet ter sprake kon komen." Ik ben het volkomen met mi'. Jordens eens: er was geen bepaling over den eigendom noodig! Was de stad in 1537 niet uitdrukkelijk in haar oud eigendomsrecht bevestigd en gehandhaafd?

Er is nog een bewijs voor den eigendom van de stad te vinden in een concordaat van 1579 3). In 1578 was Deventer door Rennenberg belegerd en zwaar had de stad onder dit beleg te lijden gehad. Nu was er geld noodig om de troepen te kunnen afbetalen en afdanken en zoo stellen Schepenen en Raad de meente voor: „Erst dat men op behach der gesworener gemeynthen solde willen opnemen op onser Stadt weyde ses duisent golt gulden, ums voer

1) Boek I Tit. III art. 2.

2) Zie Jordens pag. 59.

8) Concordaat van 17 Febr. 1579.

Sluiten