Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vandaar zelfs geen brieven meer ontving x). En met het verlies van die brieven schijnt hij zijn verkeer met Polen te zijn kwijt geraakt. Als resident had hij weinig of niets te verrichten gehad. Johan Kasimir bezoldigde hem zelfs niet meer, zoodat toen deze na zijn afdanking in Frankrijk kwam, Wicquefort, schoon vruchteloos, Lionne in den arm nam om bij den gewezen Koning in zijn geldelijk belang op te treden.

Langduriger en gewichtiger waren Wicqueforts relatiën met George Willem, hertog van Brunswijlt-Luneburg-Celle, en diens broeder Ernst August, hertog-bisschop van Osnabriick. Insgelijks in 1665 werd hij als hun minister in den Haag door de Staten erkend. Hij deelde de werkzaamheden aan dit ambt verbonden met andere vertegenwoordigers van de Hertogen, zooals Müller en Knopf. Eigenlijk was hij meer een helper van de anderen. Nooit2) liet hij bij Lionne uitkomen, dat hij minister was van de Hertogen, wel dat hij van hun politiek op de hoogte en bekend was met den invloedrijken staatsman en veldheer, graaf George Frederik van Waldeck. Toen de Fransche regeering op de Luneburgsche troepen haar oog liet vallen, polste Wicquefort op verzoek van d'Estrades den graaf van Waldeck over de voorwaarden, waarop hij in Franschen dienst zou willen

') N. 3 Maart 1667: „Je crois quc vos lettres de Warsawie ne sont pas plus fraisches qiie les miemies." Na deze kleine verzuchting roerde hij Polen niet meer aan.

") Uitdrukkelijk noemt hij meer dan éénmaal een ander als „celuy qui fait icy les affaires des deux ducs de Lunebourg." Ook in de minuten van M. T. erkent hij zich evenmin als minister van Luneburg. Op 26 Juni l6~o schrijft hij: „Le Ministre des Ducs de Lunebourg, Celle et Osnabrug qui est icy depuis prés de cinq ans et qui ne demeuroit icy depuis scpt ou huit mois que pour tascher de faire entrer les Princes dans la triple alliance est sur le point de partir."

De Rclationes van Wicquefort aan de Brunswijksche Hertogen berusten in het Staatsarchief te Hannover. Zij loopen van 1660 tot 1Ö79. (Zie Prof. Blok Verslag aangaande een onderzoek in Dnitsck/and naar archivalia enz., 's-Gravenhage 1888, bl. 23(1).

Sluiten