Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waldeck, opdat die geen spaak in het wiel zou steken. Volledigheidshalve moet ik zeggen, dat het Gourville maar al te zeer gelukt is, den Hertog van Hannover in Frankrijks kielwater te stuwen. Op 10 Juli 1671 wierp deze vorst, die tot het katholicisme was overgegaan, zich in Lodewijks armen bij een verdrag, waarbij hij voor de Franschen troepen op hun doortocht naar de Republiek zijne landen openstelde. Wat zijne broeders betreft, het is wellicht niet te veel gezegd, dat aan Gourville, die er het eerste zaad toe had uitgestrooid, een deel van de eer toekomt, die Yerjus verwierf, toen deze in hetzelfde jaar 1671 den Bisschop van Osnabrück afvallig maakte van de Nederlandsche zaak.

Om tot Wicquefort terug te keeren en tot hetgeen hij verder deed als minister van de Hertogen van I.uneburg, het Handschrift Tydeman kan ons dienaangaande nog iets leeren. Dit manuscript bevat vele brieven, die hij richtte aan Celle, aan Osnabrück, dikwijls aan beiden te gelijk, en soms ook aan den vierden regeerenden vorst uit het Brunswijksche huis, hertog Rudolf August van Wolfenbüttel, in wiens dienst hij echter niet stond. Was Wicquefort als minister van I.uneburg nimmer alleen, maar altijd tezamen met Muller opgetreden 1), later handelde hij meestal in vereeniging met den secretaris Knopf. Op 7 December 1670 bijv. schrijft hij, dat hij de Witt gevraagd heeft, of I.uneburg kon reke-

') Een zekere Petersen waagde liet, zich korten tijd als mededinger van Wicquefort op te werpen. „Depuis trois jours Monsieur Petersen qui a esté cy-devant au Roy de Dannemarc presenta des lettres de creance a Messieurs les Estats de Ia part de Monsieur le Duc Jean Fréderic. II prend la qualitc de commissaire general de tous les Ducs de Brunswic et Lunebourg, mais jusques icy il n'a rien dit ny negotie." (IK n April 1671 aan Cellc en Osnabrück) Die Petersen was al een heel ephemere verschijning, want een maand later (7/9 Mei 1671) schreef AVicquefort: „il y a quelque temps Monsieur Petersen presenta icy des lettres de creance de la part de Monsieur Jean Frederic, Duc de Brunswic et Lunebourg, mais il est allé depuis demeurer a Utrecht, et celuy qui fait icy les affaires des \ iilos Ansatiques luy a succedé pour faire aussy celles du Prince".

Sluiten