Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Aken tot aan het droeve oogenblik, waarop zijn verkeer met Lionne ten einde ging. Aan gemakzucht valt dit verschijnsel niet toe te schrijven, wel aan behoedzaamheid.

Wicquefort was het gangbare Fransch van dien tijd nagenoeg meester. Hij schrijft het doorgaans vlot, schoon hij op vele plaatsen in het stijve en gemaakte en in herhalingen vervalt. Aan den anderen kant ontbreekt het hem niet aan kleurgevende opmerkingen. Met het toedienen van min of meer geestig vergulde bittere pillen aan dezen en genen is hij niet gierig. Bij het mededeelen van den inhoud van genomen besluiten en gesloten overeenkomsten en verdragen is hij een droog, uitvoerig verslaggever. Bij de schildering van staatkundige gebeurtenissen voegt hij veelal zijn eigen oordeel. Ook is hij niet langer lijdelijk berichtgever, waar hij zijne vrienden ophemelt en zijne vijanden doorhaalt. Doch hij blijft „gentleman": wel doopt hij zijn pen in gal, maar nimmer werpt hij zijne vijanden met slijk. Van wat ons grootspraak en zelfverheffing dunkt houdt hij zich niet altijd vrij. Wicquefort treedt helaas als kenner van zijne Pappenheimers op, waar hij Lionne leert hoe men de Hollanders kan omkoopen. Hij raadt hem, een fonds ter beschikking van d'Estrades te stellen, zooals diens voorgangers het ook hadden: klinkende munt, meent hij, bevordert de liefde voor Frankrijk, en het geld ware niet verspild, want nooit heeft de kans zoo gunstig gestaan als nu. Niet minder goed toont hij op de hoogte te zijn van de kaart van het land, als hij Lionne op het hart drukt, dat men van den handel van „ces Messieurs" moet afblijven, anders zijn zij onhandelbaar, en dat men hun niet met het schrikbeeld van Frankrijks nabuurschap voor de oogen moet zwaaien, anders worden zij schichtig. Zeer ingrijpende vraagstukken, gelijk de bekrachtiging van het verdrag van 1662; den druk van Colberts tonnegeld op de Hollandsche vrachtvaart; „la grand' affaire" of de quaestie van de Zuidelijke Nederlanden; den verplichten onderstand, dien Lodewijk den Staten in den tweeden Engelschen oorlog onthield; de

Sluiten