Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ter oore of hij smeekte Lionne den heer van Zuylichem ') voor te honden, dat diens meesteres den Keurvorst bewegen moest, zich van een erkende schuld te kwijten. Ook toen baron von Blumenthal in 1663 door den Keurvorst als buitengewoon gezant naar Frankrijk werd afgevaardigd, klopte Wicquefort tot vervelens toe bij Lionne aan: „Overreed den baron toch, desnoods in eenigszins sterke bewoordingen, om zijn best te doen, dat zijn meester mij betalen zal." Wel diep moet Wicquefort in den brand hebben gezeten om zoo te blijven aanhouden. Het was al vergeefsch; met zulke dingen liet Lionne zich niet in. Doodkalm wipte hij in zijne antwoorden met een vaag beloven over Wicqueforts verzoek heen. Niemand, die den persoon van Wicquefort bestudeert, zal hem een groote figuur noemen, doch wie hem taaie volharding toekent, spreekt zeker waarheid. Die ongelukkige schuldvordering, welke iedereen hopeloos moest voorkomen, gaf hij niet prijs. In 1666 ging hij naar Kleef „pour y poursuivre le payement qui m'est due depuis tant d'années" 2). Het was goed geld, de reiskosten, naar kwaad geld werpen. Zonder één Pruisischen daalder kwam hij terug bij zijn wachtend gezin. Geen beter uitslag kroonde het verzoekschrift, dat hij in hetzelfde jaar den Staten van Holland

') In de N. van 15 Maart 1662 wordt de grond genoemd, waarop Wicquefort geloofde, dat Huyghens verplicht was hem vóór te spreken: „Quant a 1'occasion de la restitution du principauté d'Orange . . . j'y ay contribué mabonne volonté." Uit deze plaats blijkt bovendien: i°. dat Wicquefort de teruggave van het Prinsdom toen reeds voor beklonken hield, ofschoon toch eerst in 1665 Huyghens' missie met een goed einde bekroond werd; 2°. dat de aldus te hoog gespannen verwachting, die Wicquefort van het gelukken van deze zending koesterde, in strijd is met het onbarmhartig loopje, dat hij er in zijn Hist. III p. 65 mede neemt, waar hij tevens de litteraire gaven van Huyghens minachtend behandelt en hem vooral over zijn „Trijntje Cornelis" de les leest.

De nouvellist was dus in dit geval te optimistisch, wellicht omdat hij reeds de keurvorstelijke daalders op de hand waande te voelen; de geschiedschrijver daarentegen te hatelijk, misschien omdat hij zich over teleurgestelde hoop wilde wreken.

*) N. 11 Febr. 1666.

Sluiten