Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Minder gemakkelijk dan de vereering met de orde van Saint Michel ging het verleenen van adelbrieven. Séguier, de kanselier der Fransche Orden, had er vooral op tegen, omdat adeldom vrijstelling van tailles medebracht. Terecht merkte Wicquefort op, dat dit bezwaar voor Nederlanders niet gold. „Hun geeft men slechts wat perkament en lak en zij zijn meer dan tevreden." Hij was werkelijk een hulpvaardig tusschenpersoon. Een Reygersberch '), een van Geel 2), een van Brakel 3) zochten hem op: „Maak, dat ik een „lettre de noblesse" krijg." Hij gaat aan het opstellen, het kant en klaar maken van den brief, natuurlijk zonder iets voor de moeite te begeeren, dat laat zich denken. Dan Lionne wat lastig vallen, Bonneau den adelbrief gezonden en die ermede naar den Kanselier voor het zegel. En al talmde de oude Séguier ook nog zoo, het zegel kwam er. Want Lionne had zich door Wicquefort laten overreden. Het kostte immers niets. Elke Hollandsche koopman, die uit de genadige hand des Konings een titel kreeg, ging voortaan voor Frankrijk door het vuur, zoo beweerde Wicquefort. Wil men hem als makelaar in adelbrieven aan het werk zien, men hoore het slot der Nouvelle van ii Januari 1663: „Ik weet uit de beste bron, dat twee of drie leden van de vergadering der ileeren .Staten gaarne Commissarissen bij den heer d'Estrades willen worden en dat zij zeer in hun nopjes zouden zijn met „lettres de noblesse" of met een andere waardigheid van Zijne Majesteit. Om de waarheid te zeggen, men moest niet zoo schriel zijn met dingen, die niets kosten, die heel onschadelijk zijn en toch eenmaal goede vruchten kunnen voortbrengen. Wist gij maar, mijnheer, hoe weinig belang ik erbij had, dan zoudt gij

*) Jacob van Reygersberch, heer van Couwerve, bloedverwant van I\ de Groot.

9) Wien Wicquefort met dezen van Geel op het oog heeft, weet ik niet. 8) Johan van Brakel, lid van de ridderschap uit het kwartier Nijmegen, afgevaardigde voor Gelderland bij de Staten Generaal.

Sluiten