Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dorvener wezen. Reeds had ik gelegenheid ') er op te wijzen, dat de gaping, die zich in de Nouvelles vertoont gedurende de eerste maanden van 1660, te kennen geeft, dat er verwijdering tusschen de Thou en Wicquefort ontstaan was. De laatste was juist de man om de Thou's wrevel en achterdocht met gelijke wapenen te bestrijden. Zoodra Lionne het hecht in handen had, hervatte Wicquefort de Nouvelles zonder zich in het minst om de Thou te bekreunen. Op een desbetreffende vraag van Lionne antwoordde hij eenvoudig: „Ik zal u niet lastig vallen met de redenen, die mij verhinderen de Thou te bezoeken", m. a. w: „Val er ook mij niet lastig mede". Van nu aan scherpt hij zijne aanvalswapenen zoowel tegen den gezant als tegen diens onderhoorige, Bernarts. Hij verwijt de Thou zijn ijveren voor Engeland en Oranje, waardoor deze handelt in volmaakte tegenspraak met den wensch des Konings; hij berispt den gezant om zijn opvliegendheid, om de beleedigende houding, die hij tegenover de Staten aanneemt, waardoor de belangen van Z. M. hier zoo geschaad worden 2). Wat Bernarts betreft, diens onbeschaamde praatjes konden de goede betrekkingen tusschen beide landen wel eens in gevaar brengen. „Heeft hij niet bij den secretaris der Spaansche ambassade, Richard, de leugen uitgestrooid, dat men over van Beuningen en diens ambtgenooten te Fontainebleau de schouders ophaalt. Heeft hij niet op den koop toe rondgebazuind, welke praatjes men elkaar daar omtrent hun doen en laten in de ooren fluistert?" 3)

Het leed niet lang of Wicquefort verwittigde Lionne, dat er teekenen van vervreemding tusschen de Thou en de Witt zichtbaar werden en dat de lichtgeraaktheid van den eersten daaraan schuld droeg. Breed mat hij de flaters uit, welke de Thou in de zaak Brasset beging. De Nouvelle van 4

l) BI. 31.

') Dat Wicquefort ook als historieschrijver ongunstig over de Thou oordeelde bewijzen Hist. I p. 467/8 en III p. 32.

:') A'. 8 Sept. 1661.

Sluiten