Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De werkgever is aan de ziekenkas verantwoordelijk voor het stipte afdragen der premies en bijdragen.

Voor de grootte der premies en bijdragen wordt een onderscheid gemaakt tusschen de arbeiders. In het algemeen dragen zij zelf 30 Pfg. per week bij; doch de bouwarbeiders, en de seizoenarbeiders in 't algemeen, welker categorieën door den bondsraad zullen worden aangegeven, moeten^0 % van hun loon afstaan.

De bijdrage van den werkgever voor personen uit de eerste groep bedraagt 10 Pfg., bij de tweede groep 10 % van de premie van den arbeider.

Voor den arbeider wordt door een commissie, die bij elke ziekenkas wordt benoemd, uitsluitend voor den spaardwang een spaarboekje en een spaarkaart aangelegd, waarvoor geen kosten gerekend worden. Op de spaarkaart wordt door middel van zegels aangegeven hoeveel er ingelegd wordt. Op 't eind van het jaar wordt de spaarkaart ingeleverd en het bedrag, dat daarop voorkomt, op het spaarboekje geschreven, waarvan 3 % rente wordt betaald. Hierop kunnen ook vrijwillige bijdragen gestort worden.

Over al wat boven 100 Mk. is gespaard, kan de inlegger vrij beschikken. Zoo dit bedrag niet bereikt is, kan er alleen ingeval van werkloosheid over beschikt worden.

Men rekent ook op toelage der gemeenten, geschenken der werkgevers etc.

Is de arbeider werkloos, dan vraagt hij aan de ziekenkas zijn spaarkaart en overhandigt deze aan de spaarcommissie, die in het spaarboekje aanteekent, hoeveel de bespaarde som bedraagt. Nu kan de arbeider wekelijksche uitkeering krijgen, en wel 5 Mk. als zijn saldo minder dan 70 Mk. is, en 7 Mk. als dit meer dan 70 Mk. bedraagt. Ook als 't loon door een crisis zeer gedrukt is, kan uitkeering gedaan worden.

Sluiten